C.2.3 Patiëntenprofiel III

Bij patiënten die passen in profiel III is de behandeling gericht op de wijze van omgaan met het gezondheidsprobleem en op gedragsverandering. Op de voorgrond staat een oefenprogramma dat uitgaat van een gedragsgeoriënteerde benadering.

 

Behandelstrategie

Begeleiden (waaronder steun bieden, informeren en adviseren)

Net als bij patiënten die passen profiel I en II bespreekt de fysiotherapeut met de patiënt de aard van het gezondheidsprobleem, de factoren die mogelijk een rol hebben gespeeld bij het ontstaan van het gezondheidsprobleem, de factoren die van invloed zijn op het herstel en de wijze waarop de patiënt deze factoren kan beïnvloeden, eventueel met hulp van de fysiotherapeut. De fysiotherapeut en de patiënt analyseren provocerende en reducerende activiteiten, handelingen of taken die aanleiding geven tot stoornissen en zoeken samen naar oplossingen hiervoor. De fysiotherapeut evalueert geregeld of de patiënt de informatie begrijpt en de adviezen opvolgt.

De behandeling is gericht op het stimuleren van activiteiten en participatie en het beïnvloeden van de belemmerende factoren (mits fysiotherapeutisch beïnvloedbaar) die verband houden met beperkingen en participatieproblemen, waarbij de fysiotherapeut speciaal aandacht besteedt aan de participatie in het werk.

 

Oefenen en sturen van activiteiten en relevante functies

Het oefenen is gericht op een geleidelijke toename van activiteiten en participatie. Er wordt tijdcontingent geoefend. Daarnaast wordt het volhouden van relevante activiteiten geoefend (gewoontevorming), en de coördinatie van handelingen en taken.

Op grond van een door de patiënt gekozen oefendoel wordt, in samenspraak met de patiënt, een behandelschema opgesteld, met als uitgangspunt het baselineniveau van de patiënt. Dit is het gemiddelde activiteitenniveau van de patiënt bij aanvang van de behandeling. In het schema noteert de fysiotherapeut van iedere activiteit de duur, de frequentie en de intensiteit. De afspraak is dat de patiënt niet minder, maar ook niet meer doet dan wat voor die dag is afgesproken. De patiënt oefent niet alleen in de fysiotherapiepraktijk, maar ook thuis en houdt zelf zijn progressie bij in een grafiek (zie paragraaf C.2.2 in de Verantwoording). Activiteiten waarvan de uitvoering nog niet mogelijk is, worden opgesplitst in deelactiviteiten en stap voor stap geoefend.

Bij patiënten met bewegingsangst moet het aanvangsniveau van de activiteiten lager gesteld worden en moeten de tussenstappen kleiner zijn. In overleg met de patiënt worden eerst de minder bedreigende activiteiten, handelingen en taken geoefend en later de activiteiten die door de patiënt als meer bedreigend worden ervaren.

De fysiotherapeut moedigt de patiënt aan om, met het toenemen van het activiteitenniveau tijdens de behandeling, stapsgewijs ook meer activiteiten te ontplooien in zijn eigen omgeving. Hiermee vindt een overdracht van behandeleffecten naar het dagelijks leven plaats. Het einddoel is dat de patiënt controle heeft over zijn eigen functioneren.