Inleiding

Zie ook noot 5, noot 6 en noot 10 - Het doel van de behandeling is het verminderen van de pijn, het verbeteren van de functie (mobiliteit, bewegings- en spierfunctie) van de schoudergordel, het verbeteren van activiteiten en het opheffen van belemmerende persoonlijke of omgevingsfactoren. 

De therapie is afhankelijk van de bevindingen uit het diagnostisch proces, vooral met betrekking tot het ontstaan van de klachten (bijvoorbeeld provocerende bewegingen), ongunstige prognostische factoren en stoornissen in de mobiliteit en de bewegings- en spierfunctie van de schoudergordel(gewrichten). Laatstgenoemde stoornissen komen vooral voor bij secundair impingement die wordt veroorzaakt door bijvoorbeeld glenohumerale hypomobiliteit, hypomobiliteit van de cervicale wervelkolom (CWK), de thoracale wervelkolom (TWK) en de CTO (lees noot 10 in de Verantwoording), bij glenohumerale instabiliteit (lees noot 5 in de Verantwoording) en bij scapulothoracale disfuncties (lees noot 6 in de Verantwoording).

De aanbevelingen gelden zowel voor primair als voor secundair impingement. Na onvoldoende resultaat van conservatieve therapie is operatie alleen ge├»ndiceerd bij aantoonbare structurele afwijkingen (geldt voor primair impingement). 

Indien (acute) hevige pijn op de voorgrond staat, kan de huisarts/specialist een subacromiale corticoïdinjectie overwegen.