Ga naar de inhoud

Wetenschapsrapporter – Hoe denken we dat manuele therapie werkt?

In diverse studies, enkele daarvan met steun van de NVMT, worden de werkingsmechanismen van manueel therapeutische technieken (kortweg, manuele therapie) onderzocht. Voor de optimale inzet en maximalisatie van het effect van de manuele therapie is dat onderzoek broodnodig.

NVMT symposium

Er is al lange tijd een forse paradigma- aan de gang, die met name gebaseerd is op de grote vooruitgang in de pijnwetenschappen. Lees bijvoorbeeld mijn eerdere rapport over manuele therapie en neurofysiologische werkingsmechanismen. Wetenschappelijk bevindingen geven nieuwe inzichten. Maar gaan de gebruikers (therapeuten en patiënten) ook mee in deze paradigma-shift?

Petosky et al. (2026). Patiënten-perspectief op de werking van manuele therapie
Om inzicht te krijgen in het begrip van patiënten interviewden Petosky en collega’s voor een kwalitatieve studie 26 volwassenen die manuele therapie kregen voor musculoskeletale aandoeningen. De interviews waren semigestructureerd en vonden vier tot acht weken na het begin van de therapie plaats. De analyse was gebaseerd op interpretatieve beschrijving. Antwoorden werden gecodeerd en thematisch geanalyseerd.

De bevindingen tonen aan dat patiënten vooral mechanische effecten als verklaring voor de effecten van manuele therapie noemen: bijvoorbeeld toegenomen mobiliteit, verbeterde circulatie en herpositionering van het lichaam. Neurofysiologische effecten –  bijvoorbeeld pijnvermindering en stimulatie van zenuwen – werden erkend, maar vaak zonder gedetailleerde uitleg. Psychologische effecten, zoals positieve gedachten en verhoogde waardering van de zorg, werden ook genoemd. Van de werkingsmechanismen hadden patiënten vaak een onvolledig of incorrect begrip: bijvoorbeeld het klassieke idee dat manuele therapie littekenweefsel of adhesies afbreekt of je wervelkolom opnieuw uitlijnt (scheefstand oplossen). Het begrip van de meeste deelnemers veranderde tijdens de therapieperiode niet. De uitkomsten duiden mogelijk op de invloed van het narratief van de therapeut. Ik besprak dat al eerder in diverse rapportages.

Hendriks et al. (2025) – Therapeutenperspectief op de werking van manuele therapie
Hendriks en collega’s voerden een kwantitatieve inhoudsanalyse uit onder 541 geregistreerde fysiotherapeuten in Nederland. Ze onderzochten welke overtuigingen deze groep had over de werkingsmechanismen van manuele therapeutische technieken (MTTs), bijvoorbeeld high velocity thrust (HVT) en mobilisaties (MOB) bij rugpijn. Er werd data verzameld via een online en een verbale survey met open vragen. Therapeuten moesten hun opvattingen zo diep mogelijk uitleggen. De antwoorden werden gecodeerd in categorieën, bijvoorbeeld biomechanisch, neurofysiologisch, immunologisch, niet-specifiek, onbekend en niet-klassificeerbaar, en vervolgens geanalyseerd op diepte van begrip (in drie niveaus).

Uit de resultaten blijkt dat fysiotherapeuten voornamelijk biomechanische (ongeveer 40-51%) en neurofysiologische (31-39%) verklaringen gebruikten, met een dominante unifactoriële en oppervlakkige uitleg. Immunologische en contextuele mechanismen werden zelden genoemd. Factoren als een Master of Science graad, deelname aan een musculoskeletaal netwerk en werkervaring werden geassocieerd met een meer evidence-consistente en diepgaandere kennis. De studie concludeert dat Nederlandse fysiotherapeuten vooral vasthouden aan biomechanische en neurofysiologische denkbeelden, vaak met beperkte diepgang en in eenzijdige verklaringen. Het resultaat van dit onderzoek komt fors overeen met het patiënten-perspectief. Het is dan niet vreemd dat patiënten dezelfde opvattingen hebben als de therapeut, vanwege de gebruikte uitleg.

Romero Rosado et al. (2025) – Wetenschappelijke herinterpretatie van manuele therapie
Romero Rosado en collega’s bespreken in een synthese dat de traditionele biomechanische verklaring van manuele therapie – vooral high-velocity low-amplitude (HVLA) thrust manipulatie, gebaseerd op het idee van structurele correctie en heruitlijning – onvoldoende is om de klinische effecten te verklaren. Recente wetenschappelijke inzichten tonen aan dat mechanische effecten (bijvoorbeeld  tijdelijke toename van gewrichtsruimte en proprioceptieve veranderingen) kortdurend zijn en niet hoofdverantwoordelijk voor de pijnvermindering of functionele verbetering. Het effect van manuele therapie is juist voornamelijk neurofysiologisch en contextueel van aard. Sensorische prikkels, neurotransmitteractiviteit en corticale modulatie spelen een centrale rol.

De auteurs pleiten, net als vele anderen, voor een paradigmaverschuiving. Om de   manuele therapie niet langer primair te presenteren als een mechanische correctie. Maar als een contextgevoelige neurotherapeutische interventie, die pijnmodulatie en functioneel herstel bevordert. Ze adviseren klinische communicatie die deze nieuwe inzichten weerspiegelt. Bijvoorbeeld door te benadrukken dat effect niet afhangt van het al dan niet horen van een “krak” tijdens manipulatie. Zo’n  integratief perspectief bevordert een wetenschappelijk verantwoorde, gepersonaliseerde en betekenisvolle praktijk van manuele therapie.

Samengevat: patiënten denken vooral in mechanische termen over manuele therapie, zoals het rechtzetten of mobiliseren van structuren. Ze hebben minder begrip van neurofysiologische of psychologische effecten. Therapeuten hanteren voornamelijk biomechanische en neurofysiologische verklaringen, maar vaak op een oppervlakkig niveau en met een voorkeur voor unifactoriële uitleg. Betere educatie en meer discussie binnen netwerken onderling bevorderen diepgaander begrip. Wetenschappelijk gezien verschuift het begrip van manuele therapie naar een neurofysiologisch en contextueel model. Het mechanische aspect is een tijdelijke stimulus en het effect berust vooral op neurobiologische en psychosociale factoren. Dit inzicht vraagt om een herformulering van terminologie en communicatie richting patiënten.

Het zijn allemaal aspecten die terugkomen op het volgende en internationale manuele therapie congres: het Congres der Lage Landen. Daar lees je hier meer over.

Bronnen:

Petosky, T., Vraa, D. L., Rentmeester, C., Subialka, J., & Young, J. L. (2026). How Do Patients Believe Manual Therapy Works? An Exploratory Qualitative Study.

Hendriks, J. P., Reezigt, R. R., & Reneman, M. F. (2025). Physiotherapists’ beliefs of the working mechanisms of manual therapeutic techniques for spinal pain relief: A quantitative content analysis. Musculoskeletal Science and Practice, 79, 103387. https://doi.org/10.1016/j.msksp.2025.103387

Romero Rosado, Á., Martínez Pozas, O., Carnero, S. F., Cuenca Zaldívar, J. N., Sánchez Romero, E. A., & Sillevis, R. (2025). Beyond the ‘Crack’: Reframing thrust manipulation through neurophysiology, perception, and context. Complementary Therapies in Medicine, 103316. https://doi.org/10.1016/j.ctim.2025.103316