KNGF in gesprek met ACM: concurrentieregels zorgverzekeraars binnen de contracten fysiotherapie

Op ons Meldpunt Contractering Fysiotherapie kwamen vorig jaar 853 meldingen binnen. Veel meldingen gingen over afstemming rondom de behandelindex, het meten van klantervaringen met de PREM en het tarief. Vragen over eerlijke concurrentie en bescherming van consumentenbelangen legden we voor aan de Autoriteit Consument en Markt (ACM). De ACM houdt ook toezicht op de concurrentie tussen zorgverzekeraars.

Vragen en antwoorden

Samen met de ACM constateerden we dat er onder fysiotherapeuten vooral veel onduidelijkheid is over waar zorgverzekeraars wel en niet met elkaar over mogen overleggen. We stelden ACM een paar vragen hierover. ACM legt uit: 

Hoe houdt de ACM toezicht op de inkoop door zorgverzekeraars?
ACM: 'Ook zorgverzekeraars vallen onder het mededingingstoezicht van de ACM. Zij mogen geen afspraken met elkaar maken waardoor de concurrentie tussen hen beperkt wordt. Zorgverzekeraars moeten in beginsel hun zorg onafhankelijk van elkaar inkopen. Daarnaast moeten zorgverzekeraars zelfstandig hun premies bepalen. Op die manier stellen ze zelf hun verzekeringspakket samen. Door gericht beleid te vormen en te sturen op kwaliteit en doelmatigheid van zorg, kunnen zorgverzekeraars zich van elkaar onderscheiden en bieden zij verzekerden een keuze. 

De ACM houdt er toezicht op dat zorgverzekeraars zich aan de mededingingsregels houden.'

Mogen zorgverzekeraars helemaal niet met elkaar samenwerken?
ACM: 'Net als fysiotherapeuten mogen zorgverzekeraars ook samenwerken om de kwaliteit van de zorg te verhogen. Samenwerken mag, maar er zijn grenzen. Het algemene uitgangspunt voor zorgverzekeraars is individuele zorginkoop. Zorgverzekeraars mogen hun commerciële contractvoorwaarden bij de inkoop van paramedische zorg niet met elkaar afstemmen. Elke onderneming, dus ook zorgverzekeraars, dient zelfstandig zijn eigen commerciële en strategische beleid en prijzen vast te stellen. Op die regel bestaan maar een paar uitzonderingen.

Soms is samenwerking namelijk nodig om goede, doelmatige zorg te kunnen bieden. Ook daar laten de concurrentieregels ruimte voor. Dat kan het geval zijn bij de inkoop van heel complexe zorg, waarbij concentratie van zorg echt noodzakelijk is om aan scherpe kwaliteitseisen te voldoen. Ook samenwerking bij de inkoop van dure geneesmiddelen mag. Zorgverzekeraars kunnen dan samen inkoopvoordelen behalen, wat weer gunstig is voor de premie. De regels maken daarnaast een uitzondering voor samenwerking tussen kleinere ondernemingen, dus ook kleinere zorgverzekeraars, zolang zij gezamenlijk niet meer dan tien procent marktaandeel hebben.

Daarnaast laten de concurrentieregels ruimte voor overleg over niet-concurrentiële onderwerpen, zoals samenwerking op administratief gebied, of op het gebied van controle. 

Bij vraag drie en vier gaat de ACM nader in op onderwerpen waarop zorgverzekeraars samen mogen werken die betrekking hebben op fysiotherapeutische zorg.

Mogen zorgverzekeraars met elkaar afspraken maken over de behandelindex?
ACM: 'Dat ligt genuanceerd. Het mag voor zover het niet gaat over concurrentiële onderwerpen. Een behandelindex is een instrument om variatie tussen praktijken te meten en te beoordelen. Dat kan iedere zorgverzekeraar voor zichzelf doen, maar dat brengt grote administratieve lasten voor fysiotherapeuten met zich mee. Uniformering en validering van de behandelindex, zoals afgesproken in het Hoofdlijnenakkoord Paramedische Zorg, is dan ook toegestaan. Maar hoe zorgverzekeraars die behandelindex gebruiken in hun zorginkoop, daarover mogen ze géén afspraken met elkaar maken. Het zelfstandig vaststellen van beleid betekent ook zelfstandig bepalen hoe de behandelindex bij de zorginkoop wordt ingezet: als indicator om het gesprek aan te gaan, als differentiatie-instrument, of helemaal niet. Zorgverzekeraars moeten zelf  bepalen hoe zij in hun relatie met fysiotherapeuten omgaan met de uitkomsten van de behandelindex.'

En hoe zit het met andere meetinstrumenten?
ACM: 'Zorgverzekeraars mogen samen prestatie-indicatoren ontwikkelen, maar géén afspraken met elkaar maken over hoe zij de prestatie-indicator inzetten in hun zorginkoopbeleid. Prestatie-indicatoren maken onderscheid inzichtelijk en kunnen de concurrentie bevorderen. En het helpt ook als er geen wildgroei van indicatoren ontstaat. Goed voorbeeld hiervan is ook de uniformering van de klanttevredenheidsonderzoeken (PREM). Maar zorgverzekeraars moeten hun inkoopbeleid wel individueel opstellen. Zorgverzekeraars mogen dus niet met elkaar afspreken een bepaalde prestatie-indicator als ‘afrekeninstrument’ te hanteren. Daarnaast mogen zorgverzekeraars – tenzij het gaat om wettelijke of algemeen aanvaarde normen – niet de inkoopeisen van het gewenste ‘prestatieniveau’ van de zorgverlener onderling afstemmen.

Mogen zorgverzekeraars dezelfde algemene voorwaarden hanteren?
ACM: 'Het doel van dergelijke voorwaarden is op hoofdlijnen gelijk. Hierdoor komen vaak dezelfde elementen in die voorwaarden terug. Zorgverzekeraars mogen algemene voorwaarden in de contracten die zij aanbieden aan zorgaanbieders ook met elkaar afstemmen. De gedachte hierachter is dat door uniformering van de algemene voorwaarden de administratieve lasten voor zorgaanbieders zullen verminderen. Ook ontstaat er meer duidelijkheid voor de zorgaanbieder. Hierover zijn ook afspraken gemaakt in het hoofdlijnenakkoord, ook over de declaratieparagraaf en de structuur van de contracten. Dat is allemaal toegestaan, als de voorwaarden maar geen betrekking hebben op de concurrentie. Voorwaarden die doorgaans betrekking hebben op de concurrentie zijn: prijzen en tarieven, met inbegrip van kortingen, toeslagen en betalingstermijnen. Daarover mogen zorgverzekeraars geen onderlinge afspraken maken.'

Hoe kan het dat de tarieven fysiotherapie vrijwel gelijk zijn?
ACM: 'Dat kan meerdere redenen hebben, maar waarschijnlijk hebben in ieder geval de solvabiliteitseisen die aan zorgverzekeraars worden gesteld daar iets mee te maken. Uit een gezamenlijk rapport van de ACM en de NZa, ‘Ruimte voor onderscheid tussen zorgverzekeraars’ (juni 2017), bleek dat zorgverzekeraars niet te snel willen groeien. Zorgverzekeraars  moeten voldoen aan hoge solvabiliteitseisen en een financiële buffer aanhouden voor elke verzekerde die ze hebben. Omdat het lastig is om voldoende eigen vermogen aan te trekken, zullen zorgverzekeraars geen al te scherpe premie willen aanbieden, of anderszins beleid voeren waarmee zij te grote risico’s of te grote patiëntengroepen aantrekken. Dat maakt ook dat zorgverzekeraars waarschijnlijk niet snel sterk uiteenlopende tarieven voor fysiotherapie zullen hanteren.

Overigens betekent dat niet dat er geen enkele beweging in de tarieven valt te verwachten. Zorgverzekeraars moeten wel voldoen aan hun zorgplicht, in hun inkoopbeleid rekening houden met de veranderende zorgvraag en – voor zover het gaat om de basisverzekering – voldoende zorg contracteren voor hun verzekerden. Daar moeten zorgverzekeraars in hun tariefstelling en hun algemene contracteerbeleid rekening mee houden. Vanuit onze rol als toezichthouder op de naleving van de concurrentieregels geldt daarbij vooral: dat beleid moeten zorgverzekeraars wel individueel vaststellen. Dat tarieven voor fysiotherapie vrijwel gelijk zijn kan, is op zichzelf vanuit het markttoezicht geen reden voor zorg. Maar het kartelverbod geldt niet alleen voor verkooprijzen, maar ook voor inkoopprijzen. Zorgverzekeraars mogen dus ook niet onderling met elkaar afspreken welk tarieven zij voor fysiotherapie hanteren.'

Trefwoorden: