1-5 van 46 zoekresultaten
  • Hoe is het snelle effect van manipulaties op de stijfheid van de rug te verklaren?

    Na analyse van tien studies formuleren Canadese onderzoekers zeven mechanismen die mogelijk verklaren hoe manipulaties en mobilisaties snel tot een lagere stijfheid van de lumbale wervelkolom kunnen leiden. Maar hoewel enkele daarvan plausibel lijken is meer onderzoek nodig om causale relaties aan te tonen.

  • Versneld belasten na achillespeesoperatie geen negatief effect op peesverlenging

    Patiënten die versneld mobiliseren en belasten na een geopereerde achillespeesruptuur lopen niet meer risico op peesverlenging of een nieuwe ruptuur dan patiënten die traditioneel revalideren. In de eerste zes weken na de operatie neemt de peeslengte toe, ongeacht of patiënten al na twee weken starten met belast lopen of pas na zes weken. Dat concluderen Amerikaanse artsen die de achillespees-lengte bepaalden bij acht traditioneel en tien versneld revaliderende patiënten.

  • Hebben mensen met een tennisarm baat bij manipulaties van de wervelkolom?

    Een oscillerende manipulatie van de vijfde rib stimuleert het sympathisch zenuwstelsel en vermindert pijn bij patiënten met een tennisarm, waardoor zij harder kunnen knijpen. Daarmee lijkt een tenniselleboog niet alleen een lokaal probleem te zijn. Dat stellen Oostenrijkse onderzoekers die vijftien patiënten een oscillerende costovertebrale manipulatie gaven en hen vergeleken met vijftien patiënten die een placebobehandeling met ultrageluid kregen. Het effect treedt direct na de manipulatie op, maar hoe lang het effect aanhoudt onderzochten de wetenschappers niet.

  • Hoe onderscheid je drie veel voorkomende rugpijnsyndromen?

    Om therapeuten te helpen bij de diagnostiek van lage-rugklachten beschrijft een Amerikaanse expertgroep drie veel voorkomende rugpijnsyndromen: lumbosacrale radiculaire pijn, chronische musculoskeletale lage-rugpijn en rugpijn door neurogene claudicatio. Zij geven aan met welke verschijnselen patiënten zich presenteren, welke andere aandoeningen vaak samengaan met de genoemde syndromen, wat de neurobiologische, psychosociale en functionele gevolgen kunnen zijn en welke mechanismen, risicofactoren en beschermende factoren een rol kunnen spelen in het ontstaan van de klachten.

  • Femoroacetabulair impingement theoretisch beschouwd

    Met name actieve jongvolwassenen die vaak activiteiten met herhaalde of aanhoudende heupflexie uitvoeren en afwijkende botstructuren en beweegpatronen van de heup hebben lopen meer risico op een femoroacetabulair impingement syndroom. In een theoretisch model beschrijven Amerikaanse wetenschappers welke factoren en processen bijdragen aan het ontstaan en beloop van heupimpingement.