6-10 van 52 zoekresultaten
  • Wisselwerking tussen lichaamsbeeld en chronische pijn

    Chronisch pijnpatiënten met een ineffectieve copingstijl kunnen een negatief lichaamsbeeld ontwikkelen. Dat negatieve lichaamsbeeld kan op zijn beurt weer de ervaren pijn en gevoelens van fysiek onvermogen versterken. Wetenschappers uit Singapore en Zweden beschrijven deze wisselwerking in een cognitief gedragsmodel. Zij pleiten voor een psychologische evaluatie van chronisch pijnpatiënten om zicht te krijgen op hun (veranderde) lichaamsbeeld en hoe zij daarmee omgaan.

  • Chronische aspecifieke rugpijn: hoe vertel ik de patiënt wat dat inhoudt?

    Fysiotherapeuten vinden het vaak lastig om patiënten met chronische aspecifieke lage-rugpijn te vertellen wat ze hebben en wat dat inhoudt. Waar patiënten een mechanische verklaring verwachten denken therapeuten veel meer aan gedragsmatige en psychosociale oorzaken voor de chronische pijn. Fysiotherapeuten worstelen met het overbrengen van deze tegenstrijdige boodschap: enerzijds willen ze de patiënt centraal stellen, anderzijds willen ze hun eigen ideeën aan de patiënt 'verkopen'. Therapeuten proberen conflicten te vermijden, en vinden dat hun opleiding ze onvoldoende voorbereidt op het overbrengen van deze 'diagnose'.

  • Hoe onderscheid je drie veel voorkomende rugpijnsyndromen?

    Om therapeuten te helpen bij de diagnostiek van lage-rugklachten beschrijft een Amerikaanse expertgroep drie veel voorkomende rugpijnsyndromen: lumbosacrale radiculaire pijn, chronische musculoskeletale lage-rugpijn en rugpijn door neurogene claudicatio. Zij geven aan met welke verschijnselen patiënten zich presenteren, welke andere aandoeningen vaak samengaan met de genoemde syndromen, wat de neurobiologische, psychosociale en functionele gevolgen kunnen zijn en welke mechanismen, risicofactoren en beschermende factoren een rol kunnen spelen in het ontstaan van de klachten.

  • Femoroacetabulair impingement theoretisch beschouwd

    Met name actieve jongvolwassenen die vaak activiteiten met herhaalde of aanhoudende heupflexie uitvoeren en afwijkende botstructuren en beweegpatronen van de heup hebben lopen meer risico op een femoroacetabulair impingement syndroom. In een theoretisch model beschrijven Amerikaanse wetenschappers welke factoren en processen bijdragen aan het ontstaan en beloop van heupimpingement.

  • Geloof in eigen kunnen indicatie voor herstel na geopereerde polsfractuur

    Patiënten met meer zelfvertrouwen in hun vermogen tot herstel hebben drie maanden na een operatie aan een distale radiusfractuur een betere polsfunctie dan patiënten met minder geloof in eigen kunnen. Dat concluderen Zweedse onderzoekers die de zelfeffectiviteit van 55 geopereerde patiënten bepaalden en drie maanden na de operatie hun polsfunctie onderzochten.