41-45 van 49 zoekresultaten
  • Is er een nieuw diagnostisch 'etiket' nodig om lage-rugpijn te bespreken met de patiënt?

    Aanhoudende lage-rugpijn is meer dan een biomedisch probleem. De diagnose 'aspecifieke lage-rugpijn' zegt een patiënt niets over de aard van het probleem en hoe hij het kan oplossen. Zorgverleners inventariseren de klachten in een bredere biopsychosociale context, en zij bespreken dit met de patiënt zodat deze beter inzicht krijgt in zijn klachten en zelf kan bijdragen aan zijn herstel. Maar zorgverleners hebben geen behoefte aan een nieuwe diagnose of ander etiket om deze 'aandoening' te benoemen. Dat concluderen Deense onderzoekers na focusgroep- en individuele interviews met twee huisartsen, vier fysiotherapeuten en vier chiropractoren.

  • Wisselwerking tussen lichaamsbeeld en chronische pijn

    Chronisch pijnpatiënten met een ineffectieve copingstijl kunnen een negatief lichaamsbeeld ontwikkelen. Dat negatieve lichaamsbeeld kan op zijn beurt weer de ervaren pijn en gevoelens van fysiek onvermogen versterken. Wetenschappers uit Singapore en Zweden beschrijven deze wisselwerking in een cognitief gedragsmodel. Zij pleiten voor een psychologische evaluatie van chronisch pijnpatiënten om zicht te krijgen op hun (veranderde) lichaamsbeeld en hoe zij daarmee omgaan.

  • Chronische aspecifieke rugpijn: hoe vertel ik de patiënt wat dat inhoudt?

    Fysiotherapeuten vinden het vaak lastig om patiënten met chronische aspecifieke lage-rugpijn te vertellen wat ze hebben en wat dat inhoudt. Waar patiënten een mechanische verklaring verwachten denken therapeuten veel meer aan gedragsmatige en psychosociale oorzaken voor de chronische pijn. Fysiotherapeuten worstelen met het overbrengen van deze tegenstrijdige boodschap: enerzijds willen ze de patiënt centraal stellen, anderzijds willen ze hun eigen ideeën aan de patiënt 'verkopen'. Therapeuten proberen conflicten te vermijden, en vinden dat hun opleiding ze onvoldoende voorbereidt op het overbrengen van deze 'diagnose'.

  • Femoroacetabulair impingement theoretisch beschouwd

    Met name actieve jongvolwassenen die vaak activiteiten met herhaalde of aanhoudende heupflexie uitvoeren en afwijkende botstructuren en beweegpatronen van de heup hebben lopen meer risico op een femoroacetabulair impingement syndroom. In een theoretisch model beschrijven Amerikaanse wetenschappers welke factoren en processen bijdragen aan het ontstaan en beloop van heupimpingement.

  • Geloof in eigen kunnen indicatie voor herstel na geopereerde polsfractuur

    Patiënten met meer zelfvertrouwen in hun vermogen tot herstel hebben drie maanden na een operatie aan een distale radiusfractuur een betere polsfunctie dan patiënten met minder geloof in eigen kunnen. Dat concluderen Zweedse onderzoekers die de zelfeffectiviteit van 55 geopereerde patiënten bepaalden en drie maanden na de operatie hun polsfunctie onderzochten.