4 De effectiviteit van interventies

Leren schrijven is een belangrijke schoolse vaardigheid die een kind zich eigen moet maken in relatief korte tijd. Zowel bij het aanleren van letters als bij het automatiseren spelen perceptuele, motorische en cognitieve processen een rol. In groep 3 leren kinderen zowel de koppeling tussen de klank, het teken en het schrijven van een letter. In groep 4 en 5 worden toenemende snelheids- en nauwkeurigheidseisen gesteld en worden de motorische processen meer en meer geautomatiseerd. Daarnaast wordt in toenemende mate een beroep gedaan op cognitieve functies zoals plannen, controleren, spellen en stellen (hoofdstuk 2). Deze veranderende eisen binnen de vaardigheid schrijven hebben consequenties voor de interventie. De diagnostiek is erop gericht duidelijkheid te scheppen of er voornamelijk sprake is van een cognitieve of motorische oorzaak voor de schrijfproblemen. Immers, alleen motorische schrijfproblemen betreffen het interventiedomein van de kinderfysiotherapeut, waarbij de interventie zich richt op het aanleren en uitvoeren van de schrijfbeweging. Zo wordt in de diagnostische criteria van de DSM-IV-TR eveneens een onderscheid gemaakt tussen motorische stoornissen en leerstoornissen, waardoor kinderen die worden verwezen met schrijfproblemen (via Directe Toegankelijkheid Fysiotherapie (DTF) of op andere wijze) kunnen worden geklasseerd met behulp van een aantal criteria. 

In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar interventies bij schrijfproblemen gerapporteerd. De gevonden evidentie dient als onderbouwing van de keuze van de soort interventie. In het hoofdstukken etiologie (hoofdstuk 2) en meetinstrumenten (hoofdstuk 3) zijn verwante artikelen te vinden, die de klinische beslissingen tijdens de diagnostiek en interventie onderbouwen. Deze klinische beslissingen zijn beschreven in hoofdstuk 5.